
Zelfgemaakte, handgedrukte linosneden van een geuzenpenning (met verwijzing naar de oprichting van de VUB – Vrije Universiteit Brussel), geproduceerd door Kenneth Biscop.
Bron: https://www.facebook.com/photo/?fbid=101897041919225&set=pb.100063745375079.-2207520000
De Tachtigjarige Oorlog was een strijd in de Nederlanden die in 1568 begon en eindigde in 1648. De oorlog woedde in een van de rijkste Europese gebieden, de Habsburgse of Spaanse Nederlanden en richtte zich tegen een wereldmacht: het Spaanse Rijk onder leiding van koning Filips II, landsheer der Nederlanden, en zijn opvolgers Filips III en Filips IV. De eerste fase van de oorlog kan gekarakteriseerd worden als een opstand, een burgeroorlog, en staat bekend als de Nederlandse Opstand. Vanaf 1588, na 20 jaar, veranderde het karakter in een geregelde oorlog.
De Lage Landen (België, Nederland, Luxemburg) waren initieel een verzameling vorstendommen die voornamelijk onder het Huis van Bourgondië vielen. Er was geen sprake van enige samenhang tussen de verschillende steden en regio’s en zelfs het bestuur was niet gecentraliseerd. Het lukte keizer Karel V echter om met veroveringen, politieke huwelijken en het erven van gebieden om deze aan zijn rijk toe te voegen. Hiermee werd hij het hoofd van het onderstaande gebied. Karel V stemt af van een andere Karel V, koning van Frankrijk van 1364-1380 en die gekend staat voor zijn verdiensten tijdens de honderdjarige oorlog.

Het rijk van Karel V. Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Keizer_Karel_V#/media/Bestand:Karel-V-rijken.jpg
De Nederlandse vorstendommen stonden toen ook gekend als de 17 provinciën. Karel wou van deze gebieden een sterke staat maken die centraal bestuurd zou worden. Doordat de gebieden echter lange tijd van autonomie genoten; hadden ze elk specifieke regelgevingen, tradities, wetgevingen en privileges. Dit gaf dus aanleiding tot felle protesten van de verschillende standen. Een andere wens was om belastingen op te leggen maar ook dit bleek moeilijk te doen. Ten derde vonden de ideeën van de Reformatie vlot aanhang bij de bevolking in de Nederlanden en zag men al tekenen van ondermijning van de gevestigde kerk.
De overheid in de Nederlanden vaardigde daarop steeds strengere edicten uit en in 1546 werd de inquisitie uitgebreid en gereorganiseerd. In 1550 kondigde Karel V het Bloedplakkaat af tegen de ketters. Dit maakte het drukken, schrijven, verspreiden en bezitten van ketterse boeken en afbeeldingen, het bijwonen van ketterse bijeenkomsten, het prediken van een tegendraadse religie en het huisvesten van ketters, met de doodstraf en inbeslagname van alle goederen bestraft. Dit werd niet geduld en protestanten werden hiervoor vervolgd wat meer onrust gaf gepaard met belangrijke economische achteruitgang. In 1555 werd het rijk tussen de kinderen van Karel verdeeld; Filips II en diens broer Ferdinand. Filips II verkreeg het Spaanse Rijk dat ook Portugal annexeerde, Napels, Sicilië, de Spaanse Nederlanden alsook de koloniën in de Verenigde Staten.

Het rijk van Filips II in 1598. Bron: https://vls.wikipedia.org/wiki/Filips_II_van_Spanje#/media/Ofbeeldienge:Iberian_Union_Empires.png
Filips II reageerde nog feller dan zijn vader op de ketters in de Nederlanden. In 1559 vertrok Filips voorgoed naar Spanje en benoemde zijn halfzus Margaretha van Parma tot landvoogdes van het gebied. Ze liet zich adviseren door haar eigen vertrouwelingen, waardoor de hoge en invloedrijke edelen van de Raad van State (de adviesraad voor de vorst) hun macht hevig ingeperkt zagen worden. Tot deze raad behoorden o.a. Willem van Oranje en Lamoraal I de graaf van Egmont. In 1565 vertrok Egmont naar Spanje om de wensen voor een ander beleid mondeling toe te lichten, maar Filips wou niet afwijken van zijn beslissingen. Bij zijn terugkeer uit Spanje trof Egmont de Nederlanden in een hongerwinter aan die tot 1566 zou duren. Dit gaf aanzet aan de lage edelen om zich in 1566 te verenigen in het Eedverbond der Edelen en via een smeekschrift der Edelen verandering te vragen. Zo’n 200 edelen ondertekenden het smeekschrift dat o.a. het afschaffen van de vervolging op calvinisten (protestanten) vroeg. Het schrift streefde ook naar het behoud van de positie en rol van de edelen maar dreigde ook met een gewapende opstand indien er geen einde aan zou komen.
Het Eedverbond werd geleid door Hendrik van Brederode (bijgenaamd de Grote Geus), geflankeerd door Lodewijk van Nassau (kleine broer van Willem van oranje) en Floris van Culemborg. De kopstukken van de hoge adel zoals Egmont, Horne, Willem van Oranje etc. hielden zich initieel afzijdig. Hendrik van Brederode bracht het schrift, dat in het Nederlands, Frans en Duits werd opgesteld tijdens de bruiloft van de zoon van Margaretha naar het paleis op de Koudenberg (helaas afgebrand waarna het Koningsplein erover werd gebouwd).
Bij die gelegenheid zou raadsman Karel van Berlaymont tegen Margaretha de beroemde woorden “N’ayez pas peur Madame, ce ne sont que des gueux” (“Wees niet bang mevrouw, het zijn slechts bedelaars”) gezegd hebben, waarna de edelen dit overnamen als erenaam en geuzenpenningen en bedelnappen gingen dragen. Margaretha schortte de vervolgingen op, in afwachting van een reactie van Filips. Calvinisten, die eerder nog in het geheim samenkwamen, gingen zich nu openlijk manifesteren. Karel van Berlaymont is ook de vader van Floris van berlaymont, die een klooster had opgericht waarnaar het Berlaymont gebouw is vernoemd. De polarisatie bleef echter en culmineerde uiteindelijk in de Beeldenstorm.
De Beeldenstorm begon op 10 augustus 1566 in West-Vlaanderen, waar rondtrekkende groepen kerken en kloosters vernielden en vandaliseerden. Het vandalisme was gericht tegen de rijkdom van de katholieke kerk en de beeldenverering. Vooral heiligenbeelden, altaren en monstransen moesten het ontgelden. De golf van geweld verspreidde zich door Vlaanderen, Artesië en Brabant naar Holland en Zeeland en Utrecht. Willem van Oranje en zijn medestanders veroordeelden het geweld. Oranje en zijn medestanders beloofden Margaretha van Parma de rust te herstellen in ruil voor het toestaan van het protestantisme in gebieden waar deze voor de Beeldenstorm voorkwam. Margaretha had geen andere mogelijkheden dan instemmen. Hendrik van Brederode, eerder woordvoerder van het Eedverbond der Edelen, zocht steun voor een gewapende oproer in het noorden maar slaagde er niet in.

Het standbeeld van Egmont en Hoorne aan de Kleine Zavel.
Bron: https://wikimapia.org/6739996/nl/De-fontein-van-de-graven-van-Egmont-en-Hoorn
Margaretha, gesteund door Oranjes tegenstanders in de Raad van State, Mansveld, Aerschot, Berlaymont en Megen, liet in de tussentijd een leger oprichten om de protestanten in de Waalse provincies te bestrijden. Eind 1566 werden de Waalse steden Doornik en Valenciennes door het regeringsleger belegerd. Een geuzenleger wilde de steden te hulp schieten, maar werd bij Slag bij Oosterweel op 13 maart 1567 vernietigend verslagen. Doornik was daarvoor al gevallen en Valencijn viel tien dagen na de slag. De rust was hersteld en van godsdienstvrijheid kon geen sprake meer zijn. Egmont en Horne legden Margaretha de eed van trouw af. Oranje, Brederode en andere vooraanstaande edelen voorzagen dat zij als een opstandeling gezien zouden worden en om streng optreden te voorkomen, weken zij uit naar Duitsland. Voor even leek het alsof de opstand voorbij was.
Filips II was geschokt toen hij hoorde van de Beeldenstorm. De oorlog tegen het Ottomaanse Rijk was even tot rust gekomen dus besloot hij orde op zaken te stellen. Hij stuurde de hertog van Alva, bijgenaamd de ijzeren hertog wegens zijn brute reputatie met een leger van 10.000 man naar onze contreien. In augustus 1567 kwam hij aan in Brussel en richtte de Raad van Beroerten op die de betrokkenen van de Beeldenstorm moest vervolgen en bestraffen. Egmont en Horne werden door de raad ter dood veroordeeld voor hoogverraad, omdat zij niet hard genoeg hadden opgetreden en werden terechtgesteld net als 1100 anderen. Aangezien zij ridders van de orde van het gulden vlies waren, waarvoor aparte rechtspraak gold, was deze veroordeling in hun ogen onwettig en leidde tot een verharding. Ook Oranje werd ter dood veroordeeld, bij verstek want hij bevond zich in Duitsland. Wel werden zijn bezittingen in beslag genomen en werd zijn oudste zoon Filips Willem van Oranje ontvoerd en door Alva naar Spanje gezonden. Bang om gearresteerd te worden trokken naar schatting 60.000 personen weg uit de Lage Landen. Margaretha trad af als landvoogdes en werd opgevolgd door Alva.
De hertog was erg impopulair. Hij werd niet gezien als legitiem hoofd van de regering maar als de bevelvoerder van een bezettingsleger. Hij vervreemdde de Nederlanders van Filips II door zijn maatregelen. Met de Raad van Beroerten, nieuw centraal opgelegde belastingen, zoals de Tiende Penning, en nieuwe bisdommen trachtte Alva meer grip te krijgen maar creëerde tegelijkertijd veel weerstand.
Willem van Oranje werd de facto leider van de opstand aangezien andere voortrekkers vermoord of gestorven waren. Oranje wilde in gewapend verzet komen omdat hij geloofde in godsdienstvrijheid voor de Nederlanders en op persoonlijk vlak omdat zijn eer als hoge edelman was aangetast. Hij bedacht een risicovol plan waarmee hij de Nederlanden met hulp van andere edellieden in 1568 vanuit drie kanten binnenviel, Oranjes eerste invasie. In het noorden resulteerde dit in een overwinning met de Slag bij Heiligerlee, maar daarna in een verpletterende nederlaag bij Jemmingen. In het zuiden was het leger van de Franse protestanten, de hugenoten al voortijdig verslagen en in het midden verloren de opstandelingen de Slag bij Dalheim.
Ondanks de nederlagen besloot Oranje toch met een omvangrijk leger Brabant binnen te vallen, maar doordat Alva een confrontatie meed, moest Oranjes leger door geldgebrek ontbonden worden. De inval was een mislukking geworden. Oranjes financiën waren uitgeput en de gehoopte volksopstand bleef uit. De doorbraak zou uit onverwachte hoek komen. De watergeuzen waren een verzameling ballingen bestaande uit lage edelen, zeelieden, vissers, koopmannen en ambachtslieden die in 1567 gevlucht waren voor Alva en uitgeweken naar Engeland en het westen van Duitsland. Vanuit die oorden voeren ze op zee en kaapten schepen om in hun onderhoud te voorzien en Spanje schade aan te richten. Daarbij gingen zij geregeld hun boekje te buiten met piraterij door ook neutrale schepen aan te vallen. Bovendien hielden ze strooptochten op de Nederlandse kust.

VUB’ers op Den Brielle, vermoedelijk circa 2006. Bron: https://www.vub.be/nl/nieuws/op-1-april-verloor-alva-zijn-bril
Na de mislukte inval van 1568, wilde Oranje in de zomer van 1572 opnieuw vanuit meerdere kanten de Nederlanden binnenvallen, Oranjes tweede invasie. De watergeuzen werd gevraagd voor afleiding te zorgen. Een watergeuzenvloot onder leiding van Willem van der Marck strandde op 1 april 1572 bij Den Briel. Volgens de overlevering zou Koppestok aan een van de aanvoerders der Watergeuzen, Willem Bloys van Treslong, hebben verteld dat zich in de havenstad Brielle geen Spaans garnizoen bevond. Daarop werd de veerman gevraagd de burgemeester namens de geuzen te sommeren de stad aan hen over te geven. Koppestok beweerde op het stadhuis dat er 5000 geuzen voor de stad lagen, hoewel het er in werkelijkheid veel minder waren.
De burgemeester weigerde overgave, waarop de bevelhebber der geuzen, Lumey, de stad voor zich opeiste en de Noordpoort liet belegeren. Een aantal mensen kon door de Zuidpoort wegvluchten, maar toen een gesteld ultimatum was verstreken werd ook die poort bestormd. De stad werd geplunderd en er werden diverse wreedheden begaan, in juli 1572 zouden de martelaren van Gorcum er door protestanten vermoord worden. De inname van Den Briel was initieel niet de bedoeling van Willem van Oranje maar bleek een belangrijk punt te zijn. Vanuit Den Briel werd het centraal in de oorlog en konden ze geuzen de meeste steden in Holland en Zeeland veroveren waardoor de Maas, Rijn, Schelde en Zuiderzee onder hun controle kwam.
Oranje en zijn broer Lodewijk van Nassau moesten door de plotselinge inname van Den Briel nu ook eerder in actie komen. Zij vielen de Nederlanden binnen op drie verschillende plaatsen. Lodewijk viel Henegouwen binnen in het zuiden en kreeg Bergen in handen en in Valenciennes grepen de calvinisten de macht. Willem van den Bergh veroverde Zutphen in Gelderland waarna de meeste steden in Gelderland, Overijssel, Utrecht en Friesland zich ook bij de opstandelingen schaarden.
Door de invallen moest Alva zijn legers in het zuiden houden ondanks de benarde situatie in het noorden. Bergen kreeg prioriteit en werd door Alva’s zoon, Don Frederik, als eerst belegerd. Toen een Frans hugenotenleger te hulp kwam werd dit verslagen door Don Frederik. Verdere hulp van de hugenoten was niet meer te verwachten na de Bartholomeusnacht waarbij alle protestantse leiders de dood vonden. Oranje zette daarom zelf met een leger koers naar Bergen in de hoop dat Alva het beleg zou opheffen. Bij de tocht door Brabant sloten steden als Mechelen, Diest, Oudenaarde, Dendermonde, Leuven en Tienen zich aan bij de opstand. Alva verroerde zich echter niet en in september 1572 gaf Bergen zich over. Nu had Alva zijn handen vrij om af te rekenen met de opstandelingen.

Fernando Álvarez de Toledo y Pimentel (beter bekend als Alva of de Ijzeren Hertog).
Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Fernando_%C3%81lvarez_de_Toledo
Meerdere steden in de Nederlanden hadden zich aan de kant geschaard van de opstandelingen. Om de orde te herstellen en de opstandige steden te straffen besloot Alva over te gaan tot een strafexpeditie tegen de opstandige steden, geleid door Alva’s zoon Don Frederik. De eerste stad was Mechelen dat begin oktober zonder slag of stoot ingenomen werd. De Spaanse soldaten hadden toestemming om de Mechelen bruut te plunderen en een slachting aan te richten. Dit zorgde voor zoveel schrik dat andere opstandige steden in Vlaanderen en Brabant hun verzet opgaven.
Na de strafexpeditie van Don Frederik woedde de opstand alleen nog in Zeeland en Holland. Filips II ging zich steeds meer realiseren dat de harde lijn van Alva een averechts effect had in de Nederlanden. Daarnaast laaide de strijd tegen de Turken weer op zodat de al krappe financiën verdeeld moest worden over twee fronten. Daarom benoemde hij Requesens als nieuwe landvoogd in de Nederlanden. Hij was een diplomaat en bestuurder en kreeg als taak een meer gematigd beleid te voeren. Daar Spanje op het water maar niet kon winnen, bleef het leger superieur te land. Het grondgebied van de generaliteit was in 1585 bijna gekrompen tot het grondgebied van de Unie van Utrecht. Alleen Holland, Zeeland, Friesland en Utrecht waren nog volledig in Nederlandse handen. De situatie was voor de opstandelingen uiterst benard. Van Frankrijk viel geen hulp te verwachten. De Staten-Generaal bood Franse koning Hendrik III de soevereiniteit aan, maar deze weigerde, omdat hij geen oorlog met Spanje wilde riskeren. Daarom vertrok een delegatie naar de Engelse koningin Elizabeth I voor steun. De soevereiniteit wilde zij niet aanvaarden.
Wel besloot zij de opstandelingen met het Verdrag van Nonsuch te steunen met het verlenen van militaire bijstand om Spanjes kracht in te dammen. De Nederlanden werden hierdoor een protectoraat van Engeland. In ruil moesten de opstandige provincies haar vertrouweling Robert Dudley, graaf van Leicester accepteren als gouverneur-generaal. Zijn komst in januari 1586 leidde meteen tot een botsing met de belangrijkste provincie Holland. De plannen die Leicester had, botsten met de belangen van Holland, waar Johan van Oldenbarnevelt als landsadvocaat de meest invloedrijke figuur was. Nog voor de komst van Leicester benoemde Holland, de achttienjarige zoon van Willem van Oranje, Maurits van Nassau, tot stadhouder van Holland en kapitein-generaal over de troepen betaald door Holland. Leicesters positie was zwak.

De Spaanse Armada voor de Engelse kust van Cornelis Claes. van Wieringe.
Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Spaanse_Armada#/media/Bestand:De_Spaanse_Armada_voor_de_Engelse_kust.JPG
Filips II zag in de steun van de Engelse koningin aan de rebellen een reden om Engeland aan te vallen. Hij liet in Spanje een enorme vloot van oorlogsschepen en transportschepen bouwen. Met deze vloot moest een invasieleger van Parma over het Kanaal naar Engeland gezet worden. De verraste Engelsen zouden snel verslagen worden en daarna kon de strijd tegen de Nederlanders voortgezet worden. De Engelsen en Nederlanders kwamen echter achter het plan en bereidden zich voor. Toen de Spaanse Armada het zuiden van Engeland bereikte op 29 juli 1588 werd zij opgewacht door Engelse en Nederlandse schepen. De logge Spaanse schepen, die onderweg geteisterd waren door stormen, maakten geen kans tegen de snellere Engelse en Nederlandse aanvallers. De Armada werd verslagen en de invasie was mislukt.
Met het zelfstandig worden van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden kwam de Tachtigjarige oorlog in een nieuwe fase. Niet meer was het een opstand tegen het wettelijk gezag, de Spaanse kroon, zoals in de eerste twee decennia. Geleidelijk is de strijd verworden tot een geregelde oorlog tussen twee staten, de Republiek tegen de heroverde Nederlanden bestuurd vanuit Brussel en Madrid. De oorlog zou nog jaren duren en werd voor beide financieel moeilijk. Filips III zou deze oorlog erven en met de hulp van zijn generaal Spinola zou hij delen van de Nederlanden kunnen heroveren. Beide landen voerden zowel militair als financieel oorlog met elkaar. Ook de oprichting van de Verenigde Oostindische Compagnie was een van deze manieren, mede opgericht om de Spanjaarden in Indië vuur aan de schenen te leggen. Op 9 april 1609 in Antwerpen besloten ze tot een bestand, dat uiteindelijk twaalf jaar zou duren. Na het sluiten van het bestand werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden eigenlijk echt onafhankelijk.

Een vergulde geuzenpenning.
Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Geuzen-_en_aanverwante_penningen#/media/Bestand:Verguld_zilveren_Geuzenpenning_1566,_Jongelinck.JPG
Het zou tot 1644 duren voor er een groot vredescongres georganiseerd werd in Münster om de Dertigjarige oorlog tussen Zweden, Frankrijk, Spanje en de keizer te beëindigen. Door de alliantie met Frankrijk kon de Republiek ook aanschuiven bij de besprekingen. Daar schoof de Republiek in 1646 bij aan en na een aantal weken van beraad met de Spaanse ambassadeurs was een eerste akkoord al bereikt, een wapenstilstand voor twintig jaar.
Men kent in onze symboliek nog steeds symbolen van de bedelaar zoals op penningen maar ook de bedelzak op het schild van de VUB etc.