
Grote Markt. Stadhuis, hier valt duidelijk op te merken dat de poort asymmetrisch is, 1989.
Bron: https://monument.heritage.brussels/nl/buildings/31125
Jan van Ruysbroeck, eigenlijk Jan van den Berghe, is de architect van de stadhuistoren gelegen op de grote markt. De legende gaat dat hij dag en nacht bezig was aan het bouwen van de toren dat hij uitriep dat hij liever zijn ziel aan de duivel zou verkopen dan de bouw op te geven. Op hetzelfde moment bood zich een monnik aan, die zei: “Je hebt geld nodig, en dat kan ik je bezorgen. Ik daarentegen heb een man nodig die mij toegewijd dient. Onderteken dus dit contract en je zult nooit meer geldzorgen kennen.”
Jan van Ruysbroeck had natuurlijk door wie hem zo’n aanbod deed, maar hij vond de kwestie zo aanlokkelijk dat hij zei: “Jij bezorgt me dus de middelen om mijn toren af te werken? Akkoord. Maar er is een bijkomende voorwaarde: ik wil dat hij in het midden op het stadhuis staat.” “Je mag niet het onmogelijke eisen” antwoordde de monnik. “Wat nu al gebouwd is, blijft gebouwd, daar kan zelfs al mijn goud niets aan verhelpen. Maar ik beloof je dat je toren nog hoger zal verrijzen dan in je droom en dat je naam voor eeuwig voort zal blijven leven.” Jan van Ruysbroeck heeft toen het contract ondertekend en de werken aan de toren schoten zo goed op dat er als het ware toverij mee gemoeid was.
Toen wilde Jan van Ruysbroeck ook nog de funderingen voor de tweede stadsvleugel aanleggen, hoewel de monnik hem had gewaarschuwd dat de moerassige grond het niet toeliet. De bouwmeester ging er echter koppig mee door, liet zand en ossenhuiden gebruiken om het moeras te dempen, maar hij slaagde er niet in een kolk van modder te overwinnen. Ten einde raad riep hij de hulp van de monnik in, maar die kwam niet meer opdagen. Toen liet Jan van Ruysbroeck alle hoop varen en hij verhing zich aan zijn huisdeur.
Gepaard aan deze mythe is het verhaal van de asymmetrische stadstoren. Deze historie kent zowat elke Brusselaar. De toren van het vijftiende-eeuwse stadhuis van Brussel staat niet in het midden van het gebouw, en dat was uiteraard niet de bedoeling. De blunderende architect Jan van Ruysbroeck hield op het moment dat zijn fout duidelijk werd, de eer aan zichzelf: hij gooide zich van zijn eigen toren te pletter op de kasseien van de Grote Markt.
Vóór de Verlichting gingen architecten overigens wel vaker in de fout. Ze stonden onder hoge druk van hun opdrachtgevers, die hun prestigeprojecten zo snel mogelijk gerealiseerd wilden zien. Door politieke beslissingen of financiële problemen werden bouwplannen bovendien dikwijls nog tijdens de uitvoering gewijzigd, terwijl de ingenieurs toen juist veel tijd nodig hadden voor hun (her)berekeningen.
Dat de toren van het Stadhuis niet in het midden staat, heeft niets met het falen van de architect(en) te maken. Op het moment dat Van Ruysbroeck aan zijn torenspits begon, bestond het stadhuis enkel uit de huidige linkervleugel, en stond er een kleinere hoektoren op de plaats waar nu de stadhuistoren staat. Toen Brussel later het stadhuis wilde uitbreiden omdat ook de Leuvenaars een stadhuis aan het bouwen waren, kon de nieuwe rechtervleugel gewoon niet even lang zijn als de linker, omdat de Kolenmarkt in de weg lag. De stadslegende over de zelfmoord van Van Ruysbroeck zou al in 1681 zijn opgetekend door de Franse dichter-toneelschrijver Regnard op doorreis door Brussel. De echte oorzaak van zijn overlijden is niet gekend.