Oorsprong van Studentenkringen

Hieronder volgt een (aangepaste) selectie uit de tekst van plutonica, af en toe met extra notities en informatie van andere bronnen. Deze is veel te gedetailleerd voor de gemiddelde schacht, maar dient vooral als achtergrond. Het biedt enig inzicht in de oorsprong van onze studentencultuur.

Studenten die zich aansluiten bij de Natio Germanica Bononiae,
een natio voor Duitse studenten aan de universiteit van Bologna circa 15de eeuw.
Bron: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Universit%C3%A4t_Bologna_Deutsche_Nation.jpg


Studeren is eeuwenlang een privilege geweest voor de hogere klassen. Hierdoor vormden studenten het merendeel van hun bestaan een aparte groep in de maatschappij. Met de jaren verenigden deze studenten zich in verenigingen en genootschappen van religieuze of andere aard, elk met hun eigen initiatiek, symboliek en ritualen. De golf van democratisering die zich in de jaren ’60 afspeelde in de Westerse wereld bracht een enorm groep jongeren in contact met deze aparte wereld. Het karakter van deze verenigingen en genootschappen kon uiteraard niet ongewijzigd blijven na zo een grote toestroom aan studenten. Het merendeel sloot zich niet aan bij deze traditionele verbonden. Hierdoor is momenteel slechts een minderheid van de (oud)studenten lid van een club, orde of ander soort verbond. De moderne studentenverenigingen namen echter een aantal eeuwenoude gebruiken en formules over van traditionelere verenigingen, zonder echter altijd te weten vanwaar deze gebruiken komen of waarvoor ze staan. 

Van de Oudheid tot de Franse Revolutie vormden de academici, de professoren en de studenten, samen één aparte klasse onder de bevolking. Daarom spreekt men in de Middeleeuwen ook niet over studentenverenigingen, maar over academische corporaties. Vanaf de negentiende eeuw werd de scheiding veel strikter, maar tot diep in de twintigste eeuw was er nog een groot persoonlijk contact tussen professoren en studenten. De democratisering van het onderwijs heeft door het grote aantal studenten dat nu les krijgt van een docent, ook deze band doorgeknipt.

Ten tijde van de vroege middeleeuwen was het intellectuele leven beperkt gebleven tot de kloosters (in West-Europa dan toch). Vanaf de periode rond Karel de Grote werden scholen opgericht maar deze onderwezen zelden ‘leken’. Deze leken moesten dan ook richting Constantinopel of Cordova trekken. Tegen de 11de eeuw kwam er een vlaag die het Westen inspireerde om de eerste universiteiten op te richten (Bologna, Parijs, Toulouse, Oxford, …). Tegen de 15de eeuw waren universiteiten in de meeste landen opgericht maar het was niet zeldzaam dat mensen van universiteit naar universiteit trokken. De middeleeuwse student was vaak een kosmopoliet uit de bovenste laag van de samenleving. Alle Europese universiteiten doceerden destijds dan ook in het Latijn.

Een overzicht van de Eruopese universiteiten en hun stichtingsdatum t.e.m. de 15de eeuw.
Bron: https://mapsontheweb.zoom-maps.com/post/121349767642/medieval-universities-in-europe

De academici organiseerden zich destijds op dezelfde manier als de middeleeuwse gilden. Net zoals bij de gilden waren er gezellen (baccalaurei) en meesters (magistri). Hiervan komen onze huidige verengelste termen bachelor en master. Aan de meeste middeleeuwse universiteiten werd deze gildestructuur gemodelleerd op een regionale basis en werden studenten en professoren verenigd in nationes (naties). Daar verenigden studenten zich op basis van hun regionale afkomst.

Aan de Leuvense kunstenfaculteit waren er al in 1435 een Brabantse natie (voor studenten uit Brabant en Limburg), een Vlaamse natie (voor studenten uit Vlaanderen, Mechelen, Henegouwen en Namen), een Hollandse natie (voor studenten uit Holland, Zeeland, Friesland, Engeland, Schotland, de rest van het Heilig Roomse Rijk en Scandinavië) en een Gallische natie (voor studenten uit Frankrijk, Spanje en Italië) opgericht. Aan het hoofd van elke natie stond een verkozen procurator die in samenspraak met de decaan van de faculteit zorgde voor de goede gang van zaken. Aan het hoofd van een faculteit stond net zoals nu een decaan, terwijl de universiteit in haar geheel geleid werd door een rector. De procuratoren verkozen de rector(en) van de universiteit. Niet elke universiteit was echter even happig met het ontstaan of bestaan van nationes. Ze vreesden dat dergelijke verenigingen tot ordeverstoring zouden kunnen leiden.

Sinds het ontstaan van de eerste universiteiten begonnen studenten rond te trekken tussen de verschillende universiteiten. De middeleeuwse universiteiten hadden een veel groter aantal niet-regionale studenten dan de meeste Erasmusprogramma’s tegenwoordig kunnen verwezenlijken. Het Latijn was de universele cultuurtaal van die dagen (zoals het Engels tegenwoordig). Niet alleen geestelijken en studenten, maar ook avonturiers, zwervers, oplichters en bandieten sloten zich bij deze beweging aan en profiteerden van de geestelijke, financiële en juridische vrijheid. Algauw bestond er het systeem om aanmaningen van schuldeisers te ontlopen door als ‘reizend student’ of zelfs ‘reizend magister’ de benen te nemen naar een andere universiteit.

Vroeg in de ontwikkeling van de verbonden groeide een subcultuur, met inwijdings- en drinkrituelen, maar ook met studentenliederen die tot op heden nog bekend zijn (zoals bv. delen van het Gaudeamus igitur en het Io vivat). Een aantal van deze drinkliederen zijn verzameld in de Carmina burana, in 1936 op muziek gezet door de Duitse componist Carl Orff. Hier links is de cover van Carl Orffs ‘Carmina Burana’ afgebeeld, waaruit o.a. de ondertussen klassieker ‘Oh Fortuna’ in voorkomt, net als een aantal drinkliederen. Bron:https://en.wikipedia.org/wiki/Carmina_Burana_%28Orff%29#/media/File:Fortuna_Wheel.jpg

Ook vinden we in die kringen al maatschappijkritiek, rebellie en intellectueel engagement terug, net zoals in de periode vanaf de Verlichting. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de burgerij weinig ophad met deze vagantes (zwervers), die zichzelf trouwens goliardi noemden. De vagantenbeweging kende zijn hoogtepunt in de dertiende eeuw. Tegen 1500, met de opkomst van de absolutistische nationale staten, was het vagantendom nagenoeg verdwenen. Een Leuvens vakantieliedje uit de vagantentijd is A a a, valeta studia. Ook het salamanderen stamt uit deze tijd af.

Aanvankelijk waren de naties een geïnstitutionaliseerd onderdeel van de universitaire structuur. Vanaf de zestiende eeuw begonnen zij zich steeds onafhankelijker op te stellen en ze kwamen dan ook geregeld in conflict met de academische overheid. Naast de officiële naties waren vele studenten lid van bursae, een maatschappelijk verband gebaseerd op door particulieren of kloosterordes gesubsidieerde logementshuizen (pedagogieën of colleges). Oorspronkelijk betekende bursa beurs. Ook deze pedagogieën waren op een regionale basis georganiseerd. Zo vinden we tegenwoordig nog in Leuven een Iers College, een Engels College en het Atrechtcollege. Aan de Engelse universiteiten van Oxford, Cambridge en Durham is deze collegestructuur nog steeds de basis van het onderwijs voor generatiestudenten.

Vooral in de zeventiende en achttiende eeuw ontstonden er aan de Duitse universiteiten uit deze bursae een ander soort studentenverenigingen die men de Landsmannschaften (letterlijk de landsmanschappen) noemt. Deze verenigingen stonden niet meer onder het toezicht van de academische autoriteiten en werden er dan ook van verdacht om de oorzaak achter menig uitspatting onder de studenten verantwoordelijk te zijn. Drinkgelagen, duels en vechtpartijen kwamen in die dagen vaak voor. De meeste Landsmannschaften waren dan ook verboden. De strengheid waarmee dat verbod gehandhaafd werd, hing meestal af van het gedrag van de studenten. Indien er zich ernstige incidenten voordeden, werd de vervolging van deze verenigingen op een meer systematische manier aangepakt.

Goethe in 1828, door Joseph Karl Stieler.
Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Johann_Wolfgang_von_Goethe#/media/Bestand:Goethe_(Stieler_1828).jpg

Het aantal Landsmannschaften hing van de grootte van de universiteit af. De meeste universiteiten hadden slechts een paar honderd studenten, de grootste zelden meer dan tweeduizend. De studenten uit grotere staten met sterke vorstenhuizen hadden meestal een eigen Landsmannschaft, zoals Borussia (Pruisen) en Bavaria (Beieren). De studenten uit de kleinere Duitse staten waren meestal ingedeeld volgens de kreitsen waarin het Heilig Roomse Rijk was opgedeeld: Rhenania (Rijnland), Guestphalia (Westfalen), Suevia (Zwaben) en Franconia (Franken). Zo was de bekende dichter Johann Wolfgang von Goethe bijvoorbeeld lid van de Landmannschaft Bavaria in Leipzig. Aan de kleinere universiteiten aan de Oostzeekust (Greifswald, Rostock, Kiel, Koningsbergen) waren er geen regionale studentenverenigingen. Hier waren de studenten in een algemene bursa georganiseerd, een zogenaamde Burschenschaft. In de zeventiende eeuw maakten Duitse universiteiten een ontgroening vaak verplicht, ook voor studenten die al een deel van hun studies aan een buitenlandse universiteit hadden afgelegd.

Schachten werden in deze tijd Pennäler genoemd (hiervan is de term voor de Brusselse klak, penne, afgeleid). Deze term betekent tegenwoordig student van een middelbare school. De prerevolutionaire student beschouwde het als een van zijn privileges gewapend rond te mogen lopen. Er werden dan ook regelmatig duels uitgevochten als iemands eer geschonden was. Bij zulke duels waren er ook secondanten en een neutrale derde partij aanwezig.

Tijdens de achttiende eeuw droegen de leden van de Landsmannschaften ook een soort uniform: de kleur van de rok en de rokomslag waren meestal gelijk. Deze uniformen leken op de uniformen in de ‘landskleuren’ die gedragen werden door de hoge ambtenaren van de verschillende staten en staatjes. Ook droegen sommige studenten ‘nationale’ kokardes in één of twee kleuren. Sommige studenten verschenen zelfs aan de universiteit in het uniform van hun vader. Dit kon natuurlijk moeilijk verboden worden als uiting van het lidmaatschap van een of ander geheim genootschap.

De Zirkel van het KSC Bezem Brussel. Ook op de VUB wordt de Zirkel nog gebruikt, zij het voornamelijk door de regionale verenigingen.
Bron: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:ZirkelKSCBB.jpg

De leden van de Landsmannschaften hadden meestal een losse band, zonder een levensbond te vormen. De eerste organisaties die dit invoerden, waren de Studentenorden. Dit waren geheime verenigingen van studenten die ontstonden tijdens de Verlichting in de achttiende eeuw. In het begin werden ze naar principes van de vrijmetselaarsloges en van letterkundige en wijsgerige ordes opgericht binnen de Landsmannschaften. Spoedig werden ze een alternatief ervoor. Zij waren de eerste studentenverenigingen die levenslang engagement van hun leden verwachtten. Deze verenigingen hadden ook afdelingen aan verschillende universiteiten, wat de samenhang tussen studenten in verschillende steden bevorderde.

De vier belangrijkste studentenordes waren de Amicisten (gesticht in Jena in 1771), de Constantisten, de Unitisten en de Harmonisten. Ondanks het feit dat de studentenordes apolitiek waren, werden ze met een scheef oog bekeken, zowel door de civiele als door de academische overheid. In de tijd van het absolutisme werd namelijk elke vergadering van personen als potentieel gevaarlijk en een bedreiging voor het heersende bewind beschouwd. De ordes werden in 1793 door de Rijksdag in Regensburg op het volledige grondgebied van het Heilig Roomse Rijk verboden.

De studentenordes waren de eerste die een monogram (Zirkel in het Duits) invoerden. Het gebruik ontstond rond 1785 om een soort geheime aanduiding te hebben. Het bestaat uit de verstrengelde beginletters van V(ivant) F(ratres) C(oniuncti) (letterlijk Leve de verenigde broeders) en de beginletter(s) van de verenigingsnaam. Vanaf 1795 stonden VCF ook voor Vivat Circulus Fratrum (Leve de kring der broeders) en later ook voor Vivat, Crescat Floreatque NN. (Moge NN. leven, groeien en bloeien, met NN. de naam van de vereniging). Het gebruik is overgenomen van de vrijmetselaars en is nu nog steeds in gebruik. Het uitroepteken achter het monogram werd in jaren 1820 toegevoegd als een versterking van de uitspraak. Nu wordt het uitroepteken bij sommige inactieve verenigingen weggelaten als teken dat de club niet meer actief is. Ook ontstonden de eerste wapenschilden van studentenverenigingen. De studentenordes drogen bovendien ordekruisen (een soort medailles) die als onderscheidingsteken dienden.

Zo’n identiek en verbindend kenteken om de broederschap te symboliseren, is zonder twijfel ook afkomstig uit het ideeëngoed van de vrijmetselarij. We treffen deze ordekruisen (vlek) nog steeds aan bij de Franstalige Belgische studentenordes. Ook in die periode ontstonden de eerste Seniorenconventen, waarbij de leiders van de verschillende studentenordes elkaar ontmoetten. Ook in Leuven ontstonden er op het einde van de zestiende eeuw naast de naties de allereerste regionale clubs (de collegia nationalia, later ook congregationes genoemd).

Een mensuur (Mensur) of studentenduel in Heidelberg ca. 1900.
Bron: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:M%C3%BChlberg_-_Auf_die_Mensur.jpg

De Franse revolutionaire regering sloot in 1793 alle universiteiten op haar grondgebied. Ze werden gezien als feodale instellingen die een afstamsel van het ancien régime waren. Ze werden vervangen door écoles de médecine et chirurgie en een école de travaux publics. Later ontstonden er tientallen van deze grandes écoles, die nu nog steeds deel uitmaken van het Franse hoger onderwijsstelsel. Vanaf 1795 kregen de grote steden een école centrale, waaraan onder meer letteren en wetenschappen onderwezen werden. Vermits intussen de Zuidelijke Nederlanden ook deel van Frankrijk waren, werd de Leuvense universiteit op 25 oktober 1797 gesloten door een decreet van het Directoire. Er kwamen centrale scholen in Brussel en Luik. Bonaparte verving de centrale scholen door lycea. Begrijpelijkerwijs bestond er in deze nieuwe, gecentraliseerde instellingen onder strikte staatscontrole geen studentenleven. De oude corporatistische structuren (zoals de naties) en de staatsgevaarlijke studentenordes waren verboden. In landen die niet onder in vloed van het Franse revolutionaire denken stonden, bleven de middeleeuwse studentenverenigingen soms tot op heden bewaard.

Aan de universiteiten van Uppsala, Lund en Turku bestaan nog steeds nationer, die ook nog altijd regionaal ingedeeld zijn en waarvan het lidmaatschap verplicht is. Ook aan een paar nieuwe Zweedse universiteiten zijn er niet-verplichte naties te vinden. In Portugal bestaan er sinds 1309 repúblicas aan de universiteit van Coimbra, die te vergelijken zijn met de bursae aan de kleinere Baltische universiteiten. Ook in Lissabon, Porto en enkele Braziliaanse universiteiten bestaat dit fenomeen. Na het verbod op de studentenordes (1793) waren er nieuwe vormen van studentenverenigingen ontstaan. Zij droegen verschillende namen zoals Landsmannschaft, Gesellschaft, Kränzchen of Club. Zij verbonden de uiterlijke kenmerken van de oude studentenordes (een streng reglement, samenhorigheid, geheime symbolen) met die van de oude Landsmannschaften (Latijnse namen, eenvormige kleding). Zo ontstonden de eerste verenigingen waarop ons huidige traditionele studentenleven gebouwd is. Later zouden deze uitgroeien tot de Duitse Corps. Zij hadden in het begin zeker geen steun van de universiteiten, die zeer kritisch stonden ten opzichte van verenigingen zonder professoren. Reeds van het begin waren de Corps apolitiek en idealistisch. Ze zouden het karakter van de studenten vormen, maar geen politieke mening opleggen.

De Burschenschaften daarentegen, hadden vanaf het begin een politieke roeping. Hun doel was de vereniging en de democratisering van Duitsland, in tegenstelling tot de Corps, die een meer opvoedende en studentikoze taak hadden. Na rellen, pogroms en de politieke moord op de ‘reactionaire’ dichter Kotzebue, verboden de staten van de Duitse Bond in 1819 alle studentenverenigingen. Al deze studentenverenigingen hielden wel studentikoze duels (Mensur), die nochtans zowel door de staat als door de katholieke en protestantse kerken verboden waren. De Burschenschaften namen na een tijd ook een aantal van de meer studentikoze tradities van de Corps over.

Op 18 oktober 1817 ontmoetten zo’n 500 studenten uit gans Duitsland elkaar op het kasteel Wartburg in Eisenach. Ze stichtten de Allgemeine Deutsche Burschenschaft, een organisatie voor studenten uit gans Duitsland. Twee jaar later telde de organisatie al zo’n 3000 leden, ongeveer een derde van alle Duitse studenten in die tijd. Eén grote Burschenschaft voor heel Duitsland kwam er nochtans niet en na een tijd versplinterde ook de Urburschenschaft uit Jena in verschillende stromingen. Zwart, rood en geel werden als kleuren van de Duitse eenheid gekozen. Ze zijn nu de kleuren van de Duitse vlag.

Verschillende studentikoze petten met van Links naar rechts resp. een “Stürmer”, “Cadorna-Mütze”, “Tellermütze” en een Biertönnchen”.
Bron: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Kopfbedeckungen_akv_kyburger.jpg

De ordekruisen werden vanaf 1800 stilaan vervangen door het lint. Het lint was een dunne textielen band die uit meerdere kleuren bestond en die vaak onder de jas gedragen werd, vermits studentenverenigingen nog steeds verboden waren. De twee of drie kleurenbanden verwijzen dan weer naar de ideeën van de Franse Revolutie (de nationale kleurenbanden, zoals de tricolore). Ook rond 1800 werden de eerste studentenpetten ingevoerd. Studenten kleedden zich in de eeuwen voor de Franse Revolutie vaak pseudomilitaristisch. Vanaf 1790 waren in de Europese legers de kepi (dus een pet met klep) in de mode. Een symbolische betekenis hebben deze petten dus niet; ze waren oorspronkelijk gewoon een modeverschijnsel. In de eerste decennia van de negentiende eeuw vindt deze pet niet enkel in Duitsland maar ook in België en Nederland bijna overal ingang.

Later, rond 1820, wordt in Duitsland ook het bierpetje of Tönnchen (letterlijk tonnetje) ingevoerd. Het is een klein petje zonder klep in de kleuren van de vereniging. In 1848 werd het verbod op studentenverenigingen opgeheven. Vanaf dan kwamen vele hooggeplaatsten uit voor hun studentenverleden. Deze Alte Herren bleven ook actief deelnemen aan het verenigingsleven. De traditie van het Stiftungsfest (dies natalis) werd ingevoerd om de band tussen de generaties te versterken. Hierbij viert de vereniging het jubileum of de oprichting van de club of vereniging. De studentenverenigingen begonnen ook openlijk hun kleuren (petten en linten) te dragen. 

Op 4 oktober 1830 riep het Voorlopig Bewind (met onder meer Sylvain Van de Weyer) te Brussel de onafhankelijkheid van de Belgische provinciën uit. In 1831 werd een nieuwe, liberale grondwet afgekondigd waarin de vrijheid van onderwijs opgenomen was. Het Latijn werd als hogeronderwijstaal door het Frans vervangen. In afwachting van de oprichting van een katholieke universiteit, werd er nagedacht over het universitair stelsel. De ene partij (vooral de katholieken) wou gewoon alle rijksuniversiteiten sluiten en overlaten aan het privé-initiatief, anderen wilden één rijksuniversiteit in Brussel, terwijl er ook een groep gewonnen was voor het behoud van de bestaande universiteiten.

“Tafereel van de Septemberdagen 1830 op de Grote markt te Brussel” door Gustave Wappers.
Bron: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Wappers_belgian_revolution.jpg

In afwachting sloot de overheid de faculteiten wetenschappen en rechten te Leuven, de faculteiten letteren en wetenschappen te Gent en de faculteit letteren te Luik. Vooral de sluiting van de faculteiten letteren en wetenschappen zou normaal gezien een zware slag toegebracht hebben, vermits zij de voorbereidende studies voor resp. de faculteiten rechten en geneeskunde leverden. De universiteiten hielden deze faculteiten echter de facto open door ze als vrije faculteiten in te richten en de Leuvense universiteit verkreeg zelfs het behoud van haar faculteit rechten. De jezuïeten maakten onmiddellijk gebruik van de vrijheid van onderwijs door vanaf 1831 in Namen kandidaturen in de wetenschappen en de letteren in te richten. Op 4 november 1834 werd de nieuwe Université catholique de Louvain geopend in Mechelen, waarbij de bisschoppen anticipeerden dat ze de universiteit naar Leuven zouden kunnen verhuizen wanneer de daar gevestigde rijksuniversiteit sloot. De wet van 27 september 1835 schafte de Leuvense rijksuniversiteit af en op 1 december was de Alma Mater terug in Leuven. Vaak wordt ook aangehaald dat de universiteit te Leuven dan ook 600 jaar oud is, maar in werkelijkheid is dit dus niet het geval.

De oprichting van een katholieke universiteit veroorzaakte commotie in vrijzinnige en vrijmetselaarskringen. Op 24 juni 1834 hield de Brusselse advocaat Pierre-Théodore Verhaegen een pleidooi voor een vrije universiteit op het banket van de loge ‘Les Amis philanthropes’. Onmiddellijk werd een geldinzameling gestart en reeds in november kon de Université libre de Belgique (vanaf 1836 Université libre de Bruxelles) haar deuren openen in Brussel. Hiermee lag het universitair landschap voor de komende 130 jaar grotendeels vast: er waren twee rijksuniversiteiten te Gent en Luik, een katholieke universiteit in Leuven en een vrijzinnige universiteit te Brussel. In de eerste decennia na de heropening waren de belangrijkste studentenkringen literair wetenschappelijke verenigingen waarin de professoren een belangrijke rol speelden. Er bestonden ook enkele religieuze verenigingen en ontspanningsverenigingen ontbraken evenmin. Deze laatste kenden echter slechts een vluchtig bestaan.

De Loge “Les Amis Philanthropes” rond 1910.
Bron : https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Loge_Les_Amis_philanthropes.jpg

Vanaf 1860 ontstonden de eerste faculteitskringen. Zo kwamen er te Leuven een Cercle juridique (1860), Cercle médical (1862), Cercle industriel (1872), Cercle de pharmacie (1877) en een Cercle d’agronomie (1879). Het idee kreeg snel navolging in Luik, Brussel, Gent en ook aan de veeartsenijschool van Kuregem en de beide handelshogescholen in Antwerpen. Deze faculteitskringen waren geen pure studentenverenigingen. Vaak maakten er ook professoren deel van uit. Bovendien waren het geen ontspanningsverenigingen, maar studieverenigingen (zoals die tegenwoordig in Nederland nog bestaan). Ze richtten lezingen en discussieavonden in over wetenschappelijke onderwerpen.

Noch in de letterkundige genootschappen, noch in de faculteitskringen ontstond een eigen studententraditie. De studenten kwamen nog steeds uit de bovenklasse van de maatschappij, waren voor een groot deel Franstalig en kleedden zich naar de laatste mode van de hogere kringen. Zo was in het midden van de negentiende eeuw de bolhoed een populair hoofddeksel. Ondanks het feit dat bv. Gentse studenten vele contacten in Duitsland hadden en er zelfs mee dweepten, werden er in die periode nauwelijks Duitse gebruiken overgenomen, afgezien van een aantal bierspelletjes.

Rond 1878 ontstaat er wel een typische Belgische studentenpet. Dit is de pet die tegenwoordig nog aan de VUB en in Franstalige niet-katholieke middens wordt gedragen. In het begin werd ze gedragen in alle Belgische universiteitssteden. Vanaf het einde van de negentiende eeuw worden er ook faculteitskentekens en gouden (voor het aantal geslaagde jaren) en zilveren (voor het aantal niet-geslaagde jaren) sterren op aangebracht. Deze pet wordt ook wel penne of klak genoemd. De traditie wou dat deze witte of groene klakken zo vuil mogelijk gemaakt werden. Er waren echter nog geen typische activiteiten. Wel ging de student, zoals de generaties voor en na hem, veel op café. Ook droegen de studenten stokken om zich te verdedigen als er relletjes uitbraken.

Vanaf de jaren 1870 begon er stilaan een eerste democratiseringsgolf in het hoger onderwijs te komen. Zonen van de kleine burgerij begonnen zich meer en meer in te schrijven voor een universitaire opleiding. Op korte tijd verdubbelde het aantal studenten aan de universiteiten, die toen al tussen de 1500 en de 2500 ingeschreven studenten hadden. Waar tot dan toe het overgrote deel van de studenten Franstalig was van huize uit, begonnen er ook steeds meer Nederlandstaligen te gaan studeren.

De Blauwvoet, het lied der Vlaamse zonen cfr. het KVHV Youtube kanaal.
Bron: https://www.youtube.com/watch?v=Q9qN88UU7aU&ab_channel=CantorKVHV

In 1876 kwam Albrecht Rodenbach naar Leuven. Rodenbach was al politiek actief geweest aan het kleinseminarie van Roeselare. Rodenbach en zijn vrienden introduceerden de blauwvoeterij. De blauwvoeterij was een romantische symboliek die verwees naar de grootsheid van een pseudohistorisch en mythologisch Vlaams verleden, dat zich situeerde in de Middeleeuwen. De vormentaal is geïnspireerd op de roman “De kerels van Vlaanderen” van Hendrik Conscience, waarin verteld wordt over de strijd tussen twee Vlaamse families, de Blauwvoeten of Kerels en de Iezegrims, de vreemde indringers. Conscience had hiervoor een twaalfde-eeuwse vete tussen twee families in Veurne geromantiseerd.

Men veronderstelt dat de blauwvoet een zeeroofvogel, waarschijnlijk de Noordse stormvogel of de jan-van-gent, voorstelt. De strijdkreet “Vliegt de blauwvoet? Storm op zee!” wordt nog steeds gebruikt in flamingante milieus. Rodenbach wou ook de Duitse Burschenschaften in Vlaanderen introduceren. Hij vertaalde het begrip als knapenschap. Door zijn vroegtijdige dood in 1880 en zijn vaak veranderende interesses, kwam er niet veel terecht van dit initiatief.

De influx van minder kapitaalkrachtige studenten bracht een verandering in het studentenleven teweeg. De dandy’s van de hogere klassen werden in hun doen en laten meestal niet door financiële beslommeringen verhinderd. De nieuwe klasse studenten kon het zich echter niet permitteren van op en neer te pendelen naar de thuisstreek en verbleef dan meestal ook maanden aan één stuk in de studentenstad. Vaak hadden deze burgerzonen nog niet veel gereisd en kregen ze heimwee naar hun thuisstad. Spoedig ontstonden in Leuven de eerste regionale studentenclubs (in die tijd meestal nog studentengilde genoemd).

Ook bij de Franstalige studenten in Leuven ontstonden er in de jaren 1880 een aantal regionale clubs, terwijl ook studenten uit Zwitserland (Helvetia Lovaniensis, 1872-1875), Duitsland (Tungria zu Löwen, 1877-1879), Nederland (Hollandsche Club, 1886) en Luxemburg (Verbindung der Lëtzebuerger, 1879) zich aaneensloten. Deze studentenclubs waren pure gezelligheidsverenigingen. Er was geen eenvormigheid qua activiteiten, gebruiken en uiterlijke kentekenen.

Vanaf de jaren 1890 kwam er in de katholieke milieus een reactie tegen de ‘boertigheid’ van het studentenleven. “Ons Leven”, een van de oudste studententijdschriften van de Nederlanden stelde in 1893 al voor van de petten te herwaarderen en petten en andere studentikoze attributen te bevuilen. In 1895 werd er op initiatief van baron Carton de Wiart, stichter van de club van Franstalige Brusselse studenten in Leuven (de Bruxelloise) een nieuw hoofddeksel ingevoerd: de toque. Later zou deze toque naar het vrijzinnige spotliedje “A bas les calotes!”
ook calotte genoemd worden.

De cover van een oplage van “Ons Leven”.
Bron: https://www.kvhv.be/ons-leven

De calotte is een cilindrische, kleploze muts uit astrakan, die gebaseerd is op de uniformmuts van de pauselijke zoeaven, die tussen 1849 en 1870 tegen de eenmaking van Italië en voor de Pauselijke Staten vochten. Als ultramontaans en katholiek symbool kon deze wederom pseudomilitaire muts dus tellen. Ze werd door alle Franstalige katholieke studenten en ook door vele Vlaamse katholieke studenten gedragen, niet enkel in Leuven, maar ook in Gent en Luik. Ze wordt nu nog steeds gedragen door studenten aan de UCL en aan katholieke instellingen in onder meer Namen, Bergen, Brussel, ‘s-Gravenbrakel en Luik, door leden van katholieke studentenordes aan de universiteit van Luik en ook door Franstalige studenten van de Vla-Vla en de Malinoise in Leuven en de Gé catholique in Gent.

In 1898 publiceerde Karel Heynderickx na vier jaar noeste arbeid zijn tweedelig studentenliederboek. Het jaar erna kwam Jef vanden Eynde aan in Leuven. Hij zou een onuitwisbare indruk nalaten en bracht het studentenleven tot ongekende hoogten, vooral op cultureel vlak. Steeds bezorgd om stijl in het studentenleven verving Jef vanden Eynde in 1907 de toque (de algemene astrakan van de katholieke studenten) door de keurige Duitse studentenpet. Elke gouwgilde kreeg een verschillende kleur. Het opvoeren van Oud-Heidelberg was de onmiddellijk aanleiding van deze verandering. Verder droegen de voorzitters van de gilden een borstlint met daarop een geborduurd schild. Intussen was de Société générale des étudiants, een algemeen studentengenootschap voor de provinciale gilden, in 1902 opgedeeld in twee autonome vleugels: het Vlaamsch Verbond (het latere Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond of KVHV) en de Fédération wallonne.

Ondanks de Duitse invloeden hadden de Vlaamse studentenclubs in Leuven tijdens de decennia voor de Eerste Wereldoorlog al heel wat eigen tradities ontwikkeld, zoals een eigen taalgebruik. Het Payottenland (opgericht in 1911) had een vrij uitgebreid tuchtreglement, een eigen liederboek en droeg ook al petten (de Verbondspet) en linten. Men sprak van knapen (schachten) en bazen (ouderejaars). De club werd bestuurd door drie dekens, waartussen het voorzitterschap roteerde. Er was een doop- en een ontgroeningsplechtigheid. Er waren vergaderingen met mededelingen, speeches en liederen, minnedronken en een salamander.

Jef vanden Eynde
Bron: https://www.academia-studentica.eu/wiki/nl/index.php/Jef_Vanden_Eynde

In de andere studentensteden bleef men ondanks het contact met Leuven vasthouden aan de oudere Belgische tradities. Nochtans waren er ook te Brussel (Brabantia) en te Antwerpen (Allemannia) Duitse studentenverenigingen en rond de eeuwwisseling waren er enkele faculteitskringen aan de ULB (Congolesia, Mercuria, Nervia en Themisia) ingericht naar het model van de Duitse studentenverenigingen. Eind juli 1914 brak de Grote Oorlog uit en op 4 augustus 1914 trokken Duitse troepen België binnen. Net zoals in de Duitstalige landen kwam er een abrupt einde aan de vrij-studentenheerlijkheid. Er kwam een massale mobilisatie en praktisch alle studenten werden opgeroepen om te gaan vechten. Na verloop van tijd mochten de vrije universiteiten hun deuren terug openen van de Duitse militaire administratie o.l.v. von Bissing, maar een gebrek aan studenten (het merendeel zat achter de IJzer of was naar Nederland gevlucht) en verschillende gezichtspunten over wat toegelaten was, hielden de deuren dicht.

Begin 1919 werden de universiteiten heropend. De oud-frontsoldaten gingen (terug) studeren. Zij waren volwassener, hadden veel gezien en waren gemiddeld ook ouder. De Nederlandstalige studenten van de verschillende studentensteden (inclusief Luik) verenigden zich in het “Algemeen Vlaams Hoogstudentenverbond (AVHV)”. Vermits de universiteiten op een paar cursussen na nog steeds eentalig Frans onderwijs verstrekten, groeide er al snel een sterk flamingantische beweging onder de studenten. Dit leidde in 1923 tot een gedeeltelijke vernederlandsing van de Gentse universiteit en vanaf 1924 tot zware rellen met Franstalige studenten en de politie in Leuven. 

De Duitse studentenpet van voor de Grote Oorlog was echter niet meer aanvaardbaar (en zelfs verboden door de academische overheid). Zeker in het verwoeste Leuven lag dat veel te gevoelig.. De Vlaamse studenten kozen als kenteken een afhangende baret (zoals de Franse studentenmuts, maar in bruinrood fluweel i.p.v. zwart) die ze flat noemden; ze vernederlandsten hiermee de Waalse schimpnaam flatte (koeievlaai) voor hun hoofddeksel.

Algemene Leuvense studentenpet (la crapuleuse) circa 1880,
niet vergelijkbaar met wat heden ten dage gedragen wordt.
Bron: Universiteitsarchief KU Leuven;
https://www.facebook.com/UAKULEUVEN/posts/herinneringen-aan-het-studentenmuseum-deel-4studentenpetten-1880-1932sinds-stude/2387317388037264/

Op dinsdag 19 november 1929 kwamen de praesides van de kleurdragende verenigingen (het KVHV Leuven, de vijf gildepraesides en de praesides van de 26 regionale clubs) boven het studentencafé Chicago samen om het Seniorenkonvent (SK) op te richten. Het Seniorenkonvent, geleid door een senior seniorum werd de stimulator van studentikoze stijl en legde de clubtradities vast in standregelen of biercostuymen, een   Vlaamse Biercomment. Deze standregelen groeiden tegen 1935 uit tot de Clubcodex. Het SK stelde zich tot doel het studentikoze bestanddeel in het Verbondsleven te organiseren op basis van vier pijlers: traditie, stijl, tucht en levenslange vriendschap. Er werden voorschriften uitgevaardigd die zouden leiden tot eenvormigheid in club- en praeseslinten.

In 1929 voerden Sinjoria en de Leuvensche Club als eerste het clubpetje in, dat snel werd overgenomen door de andere SK-clubs. In 1932 werd een nieuw model Verbondspet ingevoerd, lijkend op de pet van 1913, ter vervanging van de flat. De kleuren van de clubs werden geüniformiseerd met drie kleurbanden, terwijl de gouwgilden twee kleuren kregen. De vergaderingen werden vervangen door clubavonden. Ze zijn de voorlopers van onze cantussen (terwijl we tegenwoordig met ‘clubavond’ iets anders bedoelen). De Goeyse was senior seniorum te Leuven van 1929 tot 1931. Het Payottenland bleef als laatste tot 1935 vasthouden aan zijn eigen tradities. Dat was ook het jaar dat Dhaenens-Lammens in Schaarbeek begon met het aanmaken van studentikoze attributen. Hierdoor beschikt deze zaak over een onschatbaar archief over het Belgische studentenleven.

Bij de Vlaamse studenten van de ULB werd de invoering geen succes, omdat ze mede onder invloed van hun Franstalige collega-studenten grotendeels bleven vasthouden aan de oude Belgische studententradities. 

Hiermee lagen de studententradities zoals wij ze tegenwoordig kennen, voor het grootste gedeelte vast. Sindsdien zijn er nog kleine aanpassingen gebeurd. Het overgrote deel van zowel de ideologie, als de uiterlijke kentekenen en de tradities en gebruiken zijn echter als zodanig bewaard gebleven. In tegenstelling tot de Vlaamse katholieke traditie, hebben de beide andere Belgische studententradities nooit een algemeen formeel kader ingevoerd en heeft iedere kring daar zijn eigen gebruiken. Er bestaan wel een aantal studentenliederboeken en bepaalde minimumvoorwaarden om een penne of een calotte te verwerven, maar daar blijft het dan ook bij.