Labojas en Toga

Enkele oud-toga’s van de VUB op St-Vé 2022, die actief waren bij het Facultair Convent.
Bron: https://www.vub.be/nl/nieuws/vub-studenten-saint-v-2022

De labojas vindt zijn oorsprong in de studenten van de faculteit Wetenschappen die meteen na hun labo’s vertrokken naar studentikoze activiteiten. Dit werd dan langzaamaan overgenomen door de studenten Geneeskunde en later gegeneraliseerd. De labojas wordt enkel gedragen door gedoopten, die deze naar eigen smaak en behoeven mogen versieren. De witte labojas wordt traditioneel op St-Ve (of pré-St-Ve TD) versierd (lees beklad). Eenmaal men dopen mag bezoeken worden de labojassen typisch blauw door het smijten met clash.

De toga was oorspronkelijk een spot op de abt (priester kleed) die priesters dragen of de toga van rechters. De toga is in die zin ook een machtssymbool dat we om te lachen zouden dragen. Natuurlijk is het ironisch dat een toga gedragen wordt door de mensen binnen een kring met de meeste macht, namelijk de praeses, vice en doopmeester (bij sommige kringen is dit een 3e bestuurslid naar keuze, al is dit meestal de doopmeester). Ook prosenioren mogen hun toga nog dragen.  Aan de VUB hebben verenigingen 3 toga’s per bestuur. De toga is bij facultaire verenigingen in de kleur van de kring, bij regionalen en anderen in de 2 (of 3) kleuren van de vereniging. Typisch is deze enkellang en gesloten, maar de traditie van het scheuren van toga’s maakt het gesloten aspect moeilijk. Ze zijn doorgaans niet zo proper, maar omdat ze een mooi aandenken vormen draagt men er toch enigszins zorg voor. Ze worden meestal op maat gemaakt uit stevige stof. Bij de ULB hebben meerdere bestuursleden een toga, waaronder de Président de Baptême (doopmeester), comité Folklo (gelijkaardig aan schachtentemmers), het kernbestuur en andere commitards. Bekijk zeker ook eens de folkloristische richtlijnen voor meer info.

Beide attributen (hetzelfde geldt voor de klak) worden doorgaans bevuild en vuiler naarmate men aan ancienniteit wint. Zo stelt proconsul Mark Morhaye: “De eerste keer dat ik buiten Brussel naar eenstudentikoze activiteit van een andere club of kring ging, keek men mij heel vreemd aan. Ik hadmijn klak en labojas mee op dat moment. De vuilheid die wij hoog in het vaandel dragen, kwamchoquerend over. We waren de enigen. Onze redenering “hoe vuiler de klak, de labojas en detoga’s, hoe meer anciënniteit en hoe meer je het ervaren hebt,” stak nogal schril af tegen dieblinkende linten, die kleine “potskes” en hier en daar zelfs een labojasje. Je zou dat zelfs kunnenaanhalen voor wat betreft de ULB op St.V, hoewel het toch ook een bende varkens waren. Dielabojassen waren op dat moment zeer mooi. Ik vind dat als beginner een geweldig mooi idee. Dat wij de vuilheid bovenaan plaatsen. “

St-Vé viering van dinsdag 20 November 2018. Studenten van de ULB en VUB in witte labojassen. © BELGA PHOTO HATIM KAGHAT

Het belang van een toga zit hem trouwens niet in het dragen ervan, maar het uitdragen ervan. Zo stelt een proconsul van de Folklore Academie in onderstaand citaat:

“Een toga, commilitones, is maar een stukje stof in de kleur van de respectievelijke kring dat is beginnen gedragen worden om de draak te steken met de toga’s in de academische en juridische wereld. Het is dus maw niet meer dan een carnavalskostuum, maar het gaat hem om de mensen die deze toga voor hun kring dragen, jullie. Niet dat jullie daardoor enige respect verdienen, daar zorgt die stof niet voor, maar uw eigen gedrag tov de studentikozen en de schachten. Daarom commilitones, is het misschien eens goed om stil te staan bij de rol die een togadrager op zich draagt.

Eerst en vooral ben ik van mening dat arrogantie absoluut niet uit den boze is bij het dragen van een toga, de toga staat voor een belangrijke functie en het is niet omdat iedereen opeens u vriend wilt zijn om wat gratis pinten, dat ge daar positief op moet reageren. Evenals de status bewaren tov schachten, waarbij arrogantie zeker helpt. Met arrogantie moet echter ook niet overdreven worden, en het mag zich beperken tot het ludieke. Daarbij komt ook nog dat arrogantie verdient dient te worden, u toga mag nog zo mooi zijn, indien u kop niemand bekend voorkomt zal uw arrogantie niet aanvaard worden.

Wat nog belangrijk is is een voldoende kennis van de folklore. In die toga zijn jullie de vertegenwoordigers van de kring, en de belangrijkste personen tov de schachten (indien we de prosenioren niet meerekenen uiteraard). Ge maakt uzelf dan ook enorm belachelijk indien kennis van de folklore ontbreekt. Dit geldt evenzeer voor de kennis van cantusliedjes, die uiteraard veel verder moet reiken dan wat er in de minicodex staat. Er worden genoeg kansen gecreëerd om enige kennis op te doen, en het is nog niet te laat. Het is echter al vijf voor twaalf indien die cantusliedjeskennis nog bijgeschaafd moet worden. Ik neem dan ook bij deze aan Consul Primus, dat de taak van de pratoren in zekere zin is om daar ook over te waken.”